Caleidoscopia: een diversiteitsspel

Lezing Kithlyn Tjin A Djie

Lezing voor Caleidoscopia: supervisie in de transitionele ruimte.
 
Dit is een bewerking van de lezing die transcultureel systeemtherapeut Kitlyn Tjin A Djie
hield op 17 maart 2006 ter gelegenheid van de conferentie Caleidoscopia:
 perspectiefwisseling in tijd, plaats en context
Plaats: gebouw Bruynvis, Keizersgracht 105 in Amsterdam.




 
 
Inleiding
Supervisie
Eigenlijk is supervisie een westers instrument. Bij supervisie gaat het om reflectie op het
individu: 'Wat heb jij geleerd?' Gechargeerd zou je kunnen zeggen: migranten reflecteren
 anders dan westerlingen. Dat veel migranten-studenten er niet in slagen hun
hbo-certificaat van een opleiding Sociaal Maatschappelijke Dienstverlening te behalen,
komt doordat ze niet goed geleerd hebben te reflecteren op het individú.
Migranten komen vaak uit een wij-cultuur, een collectief systeem.
Ze snappen niet wat de supervisor van ze wil, worden angstig en als je angstig bent
kun je niet meer leren. Zou de supervisor de vraag anders formuleren,
bijvoorbeeld vragen: 'Wat zou je familie zeggen dat je hebt geleerd?'dan kwam er
misschien wél antwoord. Mij is gevraagd iets te vertellen over een andere,
transculturele, manier van supervisie geven. Hoe je elkaar wel kunt begrijpen, mogelijk in
wat de ontwikkelingspsycholoog Winnicott(1971) noemt de transitionele ruimte.
 
Chaos
Als hulpverlener maar ook als supervisor weet je nooit precies wat er speelt binnen een
voor jou onbekende situatie, een nieuw systeem. Ik laat vaak een plaat zien waarop
een vrachtwagen staat afgebeeld, volgestouwd met tassen en koffers. Bovenop die berg
tassen en koffers zit een tiental duister uitziende individuen.
Het lijkt alsof structuur totaal ontbreekt. Toch is er - als je beter kijkt - wel degelijk
een structuur te ontdekken. Iedereen gaat uiteindelijk dezelfde kant op.
Ook families zien er in eerste instantie uit als de reizigers op de vrachtwagen.
Je weet niet hoe de verhoudingen tussen de familieleden zijn, hoe ze besluiten nemen en
oplossingen bedenken. Je weet eigenlijk niets. Ook de supervisor en supervisant weten
eigenlijk niets van elkaar. Toch gaan ze een pact met elkaar aan. Allebei moeten ze
zichzelf als het ware opnieuw uitvinden om elkaar te begrijpen, stelt de antropoloog en psychotherapeut
Meurs(1996), hoogleraar in Leuven. Dat gebeurt in wat Winnicott noemt
de transitionele ruimte: een soort niemandsland op doorreis van het oude, bekende, naar
het nieuwe onbekende.
 
In de organisatiecontext verwijst een transitionele ruimte naar een overgangsfase,
een plek waar denken, fantaseren over de toekomst en spel centraal staan.
In deze ruimte, tussen realiteit en fantasie, tussen innerlijke en uiterlijke realiteit,
kunnen creatieve processen ontstaan.
Transitionele ruimte
Een tussenruimte waar het oude en het nieuwe elkaar ontmoeten, waar verleden en
toekomst samen aanwezig zijn in het hier en nu. Het is nog niet echt, het is een tijdelijke,
virtuele wereld waarin denken, fantaseren en dromen centraal staan. Een ruimte waarin
creatieve oplossingen tot stand kunnen komen
Migranten hebben onherroepelijk te maken met de transitionele ruimte. Dit, omdat migratie
altijd betekent dat je onderweg bent, onderweg van het oude naar het nieuwe land.
In feite is iedereen een migrant of heeft ieder een migrant in zich. Ook de vrouw die uit
Zeeland komt en al 20 jaar in Amsterdam woont. Als ze teruggaat naar Zeeland moet ze
bedenken: ga ik ouderwets Zeeuws spreken (het Zeeuws is al die jaren niet 'bijgehouden')
of Hollands en de deftige dame uit de grote stad uithangen. Niet in Amsterdam, niet in
Zeeland, maar ergens onderweg, dat kan letterlijk in de trein zijn, maar ook figuurlijk - in de transitionele
ruimte – lost ze het dilemma op. Voorwaarde is een veilige plaats.
Sylvia Prins(2005),psycholoog en sociaal antropoloog, schrijft weliswaar vanuit de context
van organisaties in verandering maar stelt: ’Een veranderingsproces wordt ‘transitioneel’
genoemd wanneer er voldoende veiligheid, tijd en ruimte is om de emotionele consequenties
van verandering door te werken. Mensen krijgen de gelegenheid om het oude los te laten en
nieuwe manieren van zijn en werken te exploreren of te ontwikkelen. Het doel is het innerlijke
van de betrokkenen af te stemmen op de nieuwe uiterlijke realiteit.’
 
Competenties
Vaak is de veronderstelling dat de supervisor het beter weet of meer kennis heeft
dan de supervisant. Maar als het gaat om supervisie aan migranten, die op hun beurt vaak zelf
migranten begeleiden, zou ik zeggen, bedenk: er zijn meer dan 180 nationaliteiten
in Amsterdam.
Hoe kun je van al die culturen precies alles weten? Je moet het als supervisor niet hebben
van al die ik-weet-het-beter-concepten. Ken als supervisor je levensverhaal en zet je
levenswijsheid professioneel in om de ander te verleiden zíjn of háár verhaal te vertellen.
Zodat je je kunt verplaatsen in elkaars perspectief, om van perspectief te kunnen wisselen.
Dat kan nieuwe inzichten opleveren. Voorwaarde is dat de omgeving waarin dat gebeurt
een veilige omgeving is. In de dialoog zijn vijf interculturele competenties(Tjin A Djie,2000)
belangrijk om inzicht te krijgen in jezelf en de ander.
1. Kennis van de eigen culturele bagage (vaderlandse, regionale en de familiegeschiedenis,
normen en waarden, religie, enzovoort).
2. Kennis van andere culturen en de effecten van migratie (zijn het wij-of ik-culturen,
matriarchaten of patriarchaten, wat zijn de belangrijkste tradities en religies,
welke veranderingen brengen migratie teweeg?).
3. Weten waar je ongemakkelijk van wordt,weten wat je heilige huisjes zijn,
4. Wisselen van perspectief. Het creëren van een veilige plek waardoor dat mogelijk is.
5. Bewust zijn van, verborgen dimensies, blinde vlekken in de dialoog.
 
Hieronder zal ik een aantal van die begrippen wat meer uitleggen.
 
Interculturele competenties
Eigen culturele bagage
Wat is de eigen culturele bagage? Naast de geschiedenis van het eigen land, de eigen
provincie, de normen en waarden, de religie, is de geschiedenis van je familie belangrijk.
Vaak kijken hulpverleners alleen naar die ene persoon die hulp vraagt of naar het kerngezin daaromheen.

Er is een blinde vlek ontstaan voor de grootfamilie. Maar de manier waarop je
reageert op conflicten is vaak terug te vinden in de manier waarop generaties voor
je dat deden. Als je ergens tegen aanloopt of vastloopt is het belangrijk je bewust te zijn van bestaande
familiepatronen. Teken de familieleden binnen de verschillende generaties.
Door naar je naam te kijken krijg je informatie over je familie. Waar komt jouw naam vandaan?
Ben je vernoemd? Naar wie? Je oma? De zus van je moeder? Aan elke naam kleeft een bijzonder verhaal.
Soms krijgen kinderen de naam van het overleden kind voor hen.
Dat kan betekenen dat hun leven zwaar wordt,dat ze te horen krijgen: je broer was veel liever!
Zij leven 2 levens.
Mijn naam is Kitlyn, afgeleid van Kit-Ling in het Chinees. En dat betekent 'genoeg dochters'.
Toch kwamen er na mij nog twee meisjes. Ik kom uit een gezin met zes dochters.
Ik ben de vierde op rij. Of je de oudste bent, de middelste of de jongste is essentieel
voor je sociale ontwikkeling.
 
 
Matriarchaat of patriarchaat
In supervisie heb je altijd te maken met mensen die belangrijke besluiten moeten nemen.
Ze weten het even niet meer, omdat ze bijvoorbeeld niet lekker in hun vel zitten of
de aansluiting met de omgeving missen.
Belangrijk is om middels de familietekening te achterhalen hoe de besluitvorming verloopt.
Hoe worden oplossingen bedacht? In mijn familie namen de mannen in mijn vaders familie beslissingen.
Mijn vader komt uit een patriarchale, mijn moeder uit een matriarchale
familiestructuur. Dus zou er bij ons thuis veel ruzie zijn geweest als mijn oma van
moederszijde mijn moeder niet regelmatig een klap op haar achterhoofd had gegeven:
buig voor die Chinese mannen. Anders was het huwelijk nooit wat geworden.
Mijn oma kon zich niet voorstellen dat mijn moeder ging scheiden van mijn vader die uit
een puissant rijke familie kwam.
 
In onze familie zijn we in één generatie van een mannenbesluitvormingssysteem naar een
vrouwenbesluitvormingssysteem overgegaan.
Dat is bijzonder. Ons gezin van zes meiden heeft, samen met mijn moeder, de regie
overgenomen. Mijn oudste zus heeft het gezag gedelegeerd gekregen, en ik heb het
vanwege mijn vaardigheid om problemen op te lossen verdíend.
Dan ben je lager in de rangorde. Mijn vader heeft wel geprobeerd mijn zwager aan te wijzen
als zijn opvolger. De man van mijn derde zus.
Ze zijn gescheiden, tot mijn mazzel, zeg ik altijd. Vandaar dat ik het kreeg.
 
Bicultureel
Klasse, sekse en religie zijn bepalende factoren in de ontwikkeling.
Mijn moeder moest katholiek worden van mijn vaders familie.
Veranderen van religie is al bijna een migratie op zich.
Ik vraag ook altijd wie voortkomt uit een biculturele relatie.
Als een op de drie monoculturele relaties strandt, dan geldt voor biculturele relaties
dat acht op de tien strandt. Zo moeilijk is het om in een biculturele relatie in dialoog
 te blijven.
Kinderen uit die huwelijken hebben het vaak zwaar, ze moeten loyaal zijn aan al die
verschillende etnische en religieuze groeperingen en je wordt als kind natuurlijk snel
in een kamp getrokken (Tjin A Djie,2001). Dat biculturele relaties spanningen met
zich mee brengen heb ik aan den lijve ondervonden. Net als mijn moeder maakte ik
mee dat mijn schoonfamilie vond: 'Jij deugt niet.' Mijn schoonmoeder zei tegen haar
zoon - ik ben getrouwd met een Hollandse man afkomstig uit een gezin met een
koloniaal verleden - 'Hou je bij je eigen ras.' 'Wat moet je met een Surinaamse,' zei
mijn Chinese familie over mijn moeder. En een tak van mijn Duitse familie zei hetzelfde
over mijn Creoolse oma. Conflicten worden vaak intergenerationeel overgedragen.
 
Collectief of individueel?
Belangrijk om te weten: is iemand afkomstig uit een collectief of individueel systeem.
In individuele systemen moeten kinderen gelukkig zijn, slagen en waarmaken wat
hun ouders niet hebben waargemaakt. Kinderen uit functionele, collectieve
waardesystemen hebben vaak een andere taak, namelijk om het voortbestaan
van de familie te garanderen. Ze moeten zorgen voor de anderen binnen de familie.
Er wordt sterk gehecht aan familiecontinuïteit: individuele belangen worden afgestemd
op familiale belangen(Tjin A Djie,2003).
 Een voorbeeld om het verschil te illustreren. Toen mijn jongste zoon zes was
vroeg een moeder me: 'Hoe kan het dat jouw zoon beter zwemt dan die van mij?'
Ze dacht dat ik vaak met hem ging zwemmen, wat niet zo was! Zij relateerde alles
waarin haar kind slaagde of faalde aan zichzelf. Dat is het geval in individuele of
psychologische waardesystemen. In collectieve systemen - waar ik uit voortkom –
gebeurt dat niet. Daar geldt eerder dat kinderen schande over het systeem kunnen
brengen. Schande speelt een grotere rol dan schuld. Systeemtherapeut
Nel Jessurun(2004) geeft in een van haar artikelen het voorbeeld van een
geadopteerd Koreaans meisje dat steeds gevraagd wordt wat haar gelukkig maakt.
Als het meisje vraagt: 'Zal ik afwassen?' luidt het antwoord: 'Alleen als het jou
gelukkig maakt.' Het meisje begrijpt dat niet. Als je niet kan voorzien in de
behoefte van anderen, wat is dan de zin van het leven? Zo zijn mensen in
collectieve systeem opgevoed, jezelf ontplooien is niet het allerbelangrijkste
in het leven.
 
Stress en blinde vlekken
Ken je ongemakkelijkheid in ontmoeting met de vreemde ander. Het kan zijn
dat er stress ontstaat op het moment dat je iemand ontmoet uit een andere
cultuur of een ander systeem. Ik teken meestal een schema ter verduidelijking:
aan de ene kant de eigen familietekening, aan de andere kant de familietekening
van de andere vreemde onbekende, daartussenin de zaken die stress veroorzaken.
Het kan zijn dat je gewend bent, dat mannen vrouwen een hand geven ter
begroeting en dat je iemand ontmoet uit een systeem waarin mannen vrouwen
geen hand geven. Wat voor jou vanzelfsprekend is kom je vaak pas te weten
als je met andere gewoontes geconfronteerd wordt.
Je moet er van uitgaan dat er ook altijd verborgen dimensies zijn in
communicatie: blinde vlekken. In Nederland zijn er bijvoorbeeld veel
doen-spreekwoorden. Impliciet gaan die ervan uit: Je mag niet stilzitten.
Ledigheid is des duivels oorkussen. Mensen uit collectieve systemen zien
dat dikwijls anders. Ze nemen de tijd 'to synchronize' - een term uit de antropologie –
om de binnenwereld af te stemmen op de buitenwereld. Ogenschijnlijk zitten
ze te zitten en te niksen, maar ondertussen zijn ze heel 'groeizaam' bezig.
Je ziet dat veel in Afrikaanse landen, maar ook Friezen doen het.
Die noemen het 'skimmeren'. Bij het vallen van de duisternis neemt men tijd om
aan te passen aan de nacht.
'Laat het licht nog even uit,' zeggen de boeren dan. Even acclimatiseren.
 Een andere blinde vlek kan zijn: verschil in communicatiestijlen. Westerlingen
willen vaak overal over communiceren in de zin van praten. Andere culturen
doen aan 'lijflezen': ze lezen de gemoedstoestand af aan het lijf zonder dat
de ander iets hoeft uit te leggen. Hoe moeilijk het is ook, probeer de blinde v
lekken op te sporen door referentiekaders duidelijk te maken. Wees nieuwsgierig.
We zijn vaak geneigd overeenkomsten te zoeken, ik ben juist geïnteresseerd
in de verschillen: 'Vertel, vertel, vertel, hoe zit dat bij jou?'
 
Beschermjassen en werkzame bestanddelen
Faseovergangen
Je treft in supervisie vaak mensen aan die in faseovergangen verkeren.
Een faseovergang is een overgang waarbij je van de ene levensfase
overgaat naar de andere. Je verandert van een tiener in een adolescent,
van een adolescent in een volwassene. Die faseovergangen kenmerken
zich door onzekerheid, maar is nodig om in de volgende fase te geraken.
Je moet jezelf hervinden. Ook als je gaat verhuizen, een andere baan of
een baby krijgt is er sprake van een faseovergang. Bij elke faseovergang
kunnen eerdere trauma’s en migraties terugkeren. Trauma’s en migraties
zijn bijzondere levensfasenovergangen(Jessurun 1995) omdat zij zich in elke
faseovergang opnieuw presenteren. Je spreekt dan van een gelaagde
faseovergang. Een Surinaamse tienermoeder bijvoorbeeld, heeft dan niet alleen
te maken met de overgang van kindertijd naar adolescentie en jong moederschap,
maar ook de verlieservaring van de migratie keert terug. De periode tussen de
ene en andere fase: de tussenfase, noemen antropologen, van Bekkum e.a.(1996),
ook wel de liminele fase. Limen betekent op de drempel. Een besef hebben het
oude kwijt te zijn maar nog niets in handen te hebben om met de nieuwe situatie
om te gaan. Bij de GGZ zien we regelmatig mensen in deze fase binnenkomen,
ze vertonen schijnbaar psychiatrische klachten. Maar in feite hebben ze te
maken met 3 of 4 faseovergangen, tegelijkertijd. De liminele fase is vergelijkbaar
met de transitionele ruimte. Het is een kwetsbare, maar ook hele creatieve fase.
Omdat er even helemaal niets is, is er ook ruimte voor nieuwe zaken.
 
Hernemen
'Enveloppement' is een term uit de Franse transculturele psychologie,Sterman(1996)
geeft mooie voorbeelden in zijn boek. Als je mensen 'envelopped' oftewel inbedt in
de groep of cultuur waaruit ze afkomstig zijn, zie je dat ze zich hernemen. Ineens
beschikken ze weer over allerlei krachtenbronnen en bedenken oplossingen. Het zit
'm soms in hele kleine dingen: eten, cultuur, poëzie, muziek, taal...Geëmigreerde
bejaarde Nederlanders in Australië die dement leken, gingen toen ze werden
ondergedompeld in de eigen taal, zich ineens weer van alles herinneren. Het effect
van enveloppement of inbedding is als een beschermjas(Tjin A Djie,2003). Wij
supervisoren zijn beroepsherinneraars (Ramdas,1996)). Mensen in problemen
hebben vaak last van verkokerd denken. Als mensen zich niets herinneren of
niemand hebben die hen kan steunen help je de herinnering openen. Migranten zijn
vaak visueel ingesteld, dus vraag ik ze een familietekening te maken. Dan komt ineens d
e herinnering aan dat ene nichtje boven, dat wel gebeld kan worden voor steun. Anil Ramdas(1992),
essayist, vertelt in zijn verhaal 'Heimwee' zo treffend dat de grootste
ramp voor migranten discontinuïteit is. ’Het probleem van integratie, dat wil zeggen,
het integreren van onze ervaringen uit het verleden met die van het heden.
Het probleem van aanpassing, dat wil zeggen, het aanpassen van ons vroegere zelf
aan ons huidige zelf’. Ik vraag mensen dus terug te gaan naar een herinnering en
een equivalent in het heden te bedenken. Een vrouw vertelde me dat ze na de
geboorte van haar eerste kind in Amsterdam wel terug kon kruipen naar Brabant,
naar haar moeder van toen. Of neem dat meisje uit Mongolië, een ama, dat helemaal
de weg kwijt was. Hulpverleners brachten haar naar Scheveningen, dat landschap lijkt
heel erg op Mongolië, en daar kon ze zich hernemen. Of neem de supervisant die
tijdens het herstel van een levensbedreigende ziekte alle geboorteplekken van
haar voorouders in Groningen en Drenthe opzocht. Deze herinneringen stellen
mensen in staat over verlieservaringen of andere weggestopte pijnlijke situaties
te spreken. Het creëren van continuïteit is vaak heilzaam.
 
Eigen veiligheid
Vaak gaat het in supervisie om uitsluiting, je in de zijlijn gedrukt voelen, kwetsbaarheid.
Ik zeg altijd: werken met diversiteit is altijd werken in onzekerheid. Dus is het
belangrijk je kwetsbare plekken en je krachtbronnen te kennen. Ook de supervisor
moet de eigen veiligheid kunnen creëren. Doet de supervisant iets waardoor de
supervisor zich onveilig voelt, dan moet hij of zij dat weten en weten hoe zich te
hernemen. Als ik uit het lood geslagen word, dan grond ik me, ik ga denkbeeldig
op mijn oma leunen, ze is allang dood. Mensen zien me dan ook letterlijk groeien.
Ik laat supervisanten zien hoe ik me herneem. Je leert het meest door te laten zien.
'Practice what you preach.' Wat je het liefst wil is dat de ander zich verantwoordelijk
maakt voor de veiligheid van beiden. De supervisor kan de supervisant vragen: 'Waar
ik niet goed mee omga is ruzie. Als we van mening verschillen ga ik proberen het glad
te strijken, maar dan wil ik dat jij me waarschuwt. Want ik wil dat niet.' Beiden worden verantwoordelijk
voor de kwetsbare plekken, beiden kunnen daarvan leren.
Op het moment dat je onderuitgaat moet je weten dat het jouw ding is.
Dus niet denken: wat is zij een vreselijk mens dat ze zegt dat, maar: dit was mijn
zere plek. Je moet in kaart hebben, dat zijn die pijnplekken en je moet weten hoe
je te kunnen hernemen. Anders kun je niet meer van perspectief wisselen.
 
Werkzame bestanddelen
Dienke Hondius(1999) gaf in haar onderzoek naar biculturele relaties aan dat
biculturele relaties slagen als stellen bepaalde gevoeligheden accepteren en
bepaalde gevoelige onderwerpen vermijden. Dat zijn succesfactoren of werkzame
bestanddelen. Niet alles hoeft gezegd te worden. Mijn oudste zoon was 16 jaar toen
hij thuiskwam van de middelbare school met de opmerking: 'Mam, de mentor heeft
gezegd dat ik een indolente houding heb. Dat ik lui ben, omdat ik een Surinaamse
moeder heb.' Ik riep: 'Alle messen en bijlen in de tas, we gaan!' 'Nee,' zei mijn zoon,
'dan verspeel ik mijn krediet.' En mijn Hollandse man, vond: 'Hij heeft wel gelijk,
we gaan niet.' Toen kwam bij mij al het venijn boven en zei ik tegen hem:
'Jouw grootvader heeft in Atjeh al die Javanen afgeslacht.' Vervolgens zwijg ik er dan
weer tien jaar lang over. In mijn gezin is de koloniale geschiedenis en het slavernijverleden
een pijnlijk onderwerp en lastig bespreekbaar. We laten het rusten, totdat het toch
 getriggerd word. Kinderen gooien zout in de wonde, die testen die biculturele relatie.
Ook voor supervisie is het soms werkzamer om sommige zaken te accepteren en
te laten rusten. Mensen afkomstig uit de Indische en Aziatische culturen voelen
zich ongemakkelijk als ze voortdurend verbaal moeten reageren en zich bloot
moeten geven. Dat zijn ze niet gewend. In die culturen is lijflezen veel
belangrijker maar die communicatiestijl vindt je ook in Nederlandse
families(Arends,1998).
 
Voorkeurstijlen
In Nederland is er een dominante opvatting over eenduidigheid. Dat is absoluut
een ramp voor de multiculturele samenleving. Kinderen willen loyaal zijn. In
Nederland vindt men vaak dat je moet kiezen, loyaal moet zijn aan de ene
cultuur of aan de andere. Maar je hebt als mens toch verschillende loyaliteiten?
Ten aanzien van je moeder, je kind, collega... Waarom zou je niet vandaag
kunnen kiezen voor je familie, en morgen voor jezelf? Misschien moet je er
niet naar streven dat iedereen hetzelfde is of moet zijn, maar kijken wat iemands
voorkeurstijl is. Maar het een sluit het ander niet uit. Dat geldt ook ten aanzien van communicatiestijlen.
Je kunt gericht zijn op cognitieve, gevoelstaal,zielentaal,
auditief of visueel ingesteld zijn. En ik vind eigenlijk dat je als supervisor al die talen
 moet beheersen. Emotionele taal is bijvoorbeeld praten over gevoel: ik voel...
Cognitieve taal is dat je ingaat op inhoudelijke zaken. Als supervisant en supervisor
 voortdurend in de eigen voorkeurstaal blijven spreken krijg je irritatie en is het
 niet meer mogelijk van perspectief te wisselen. Als supervisor moet je kunnen
herkennen: dat is de gevoelstaal en kunnen overschakelen. Ook van positie
kunnen wisselen is een belangrijke vaardigheid die supervisoren moeten ontwikkelen.
 
Al deze technieken zijn naast de interculturele competenties belangrijk voor
het tot stand brengen van een transitionele ruimte die veilig is, zodat
veranderingen tot stand kunnen komen. Voor de supervisor en voor de
supervisant.Veiligheid is een voorwaarde, anders kun je niet leren. De
transitionele ruimte is als het ware een heilige plaats geworden, waar
heling plaatsvindt.
 
 
 
 
Literatuurlijst
 
 
   -Arends,A.M.(1998)Het ondergesneeuwde lichaam. Tijdschrift voor Sociale Psychiatrie, 51, 13-25.
-Bekkum van, D, Marcel v.d. Ende, Suzanne Heezen, Arjaan Hijmans van den Bergh,(1996)
Migratie als Transitie: Liminele kwetsbaarheid van migranten en implicaties voor de hulpverlening,
in: Handboek Transculturele Psychiatrie en Psychotherapie, J. de Jong en M. v. d. Berg, (red.) .
-Hondius, D.(1999). Gemengde huwelijken, gemengde gevoelens. Aanvaarding ontwijking van
etnisch verschil sinds 1945.Den Haag : Sdu uitgevers.
-Jessurun, C.M.(1995) Genogrammen. Etniciteit en hulpverlening
In: Hoogsteder,J.Etnocentrisme en communicatie in de hulpverlening. Utrecht: Stichting Landelijke
Federatie Welzijnsorganisaties voor Suriname, pp. 17190
-Jessurun, C.M.(2004) Hoe meer verschillen, hoe meer vreugd
uit: Meer kleur in de Jeugd-GGZ, redactie R.Beunderman,
A.Savenije, M.Mattheijer, P.Willems. Koninklijke van Gorcum,Assen
- Sterman, D. (1996). Een olijfboom op de ijsberg. Een transcultureelpsychiatrische visie op
de behandeling van de problemen van jonge Noord-Afrikanen en hun families. Utrecht:
Nederlands Centrum Buitenlanders.
-Meurs, P.(1998): ’Verlangen naar verwevenheid met cultuur van herkomst.
De psychodynamiek van migratie in verschillende gedaanten’, in P. Meurs & A. Gailly (Red.),
Wortelen in andere aarde. Migrantgezinnen en hulpverleners ontmoeten cultuurverschil.
Leuven/Amersfoort: Acco.
Nieuwsbrief NVOA (Netwerk Vrouwelijke Organisatie Adviseurs ), nummer 4, 2001, 11-13
 
-Prins,S.(2005):’Verandering en ontwikkeling: inzichten in de ontwikkelingspsychologie van
Winnicott in organisaties’ uit: Tijdschrift voor Psychoanalyse, 4, 290-291.
-Ramdas,A.(1992).’Heimwee’,in De papegaai, de stier en de klimmende bougainvillea, essays,
De Bezige Bij.
-Ramdas, A.(1996). De beroepsherinneraar en andere verhalen.
Amsterdam: De Bezige Bij.
-Tjin A Djie, Kitlyn, (2003).Beschermjassen. Een wijze van hulpverlenen waardoor ouders en
kinderen uit Wij-systemen worden ingebed in hun familie en cultuur;Systeemtherapie, 15 (1) 17-39
-Tjin A Djie, Kitlyn, (2001) De bijzondere opdracht van migrantenkinderen, In: Over een grens,
psychotherapie met adolescenten, C. Roosen, A. Savenije, A. Kolman, R. Beunderman, (redactie),
van Gorcum, Assen,.
-Tjin A Djie, K. (2000). Ouderschap in een Wij systeem, 2e Alice van der Pas Lezing. Rotterdam:
Stichting Interdisciplinair Netwerk Ouderbegeleiding (INO).
-Winnicott, D.W. (1971). Playing and Reality, Routledge, London
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Kitlyn Tjin A Djie is transcultureel systeemtherapeut, opleider, supervisor en coach. Voor meer informatie surf naar www.beschermjassen.nl
Met dank aan mijn leertherapeut, Monique Jongerius, die letterlijk en figuurlijk de transitionele ruimte creëerde. Veranderd en geheeld verliet ik na vier dagen en drie nachten haar huis. Met een rijk gevulde moetete, de draagzak van de indianen waar verleden, heden en toekomst samenkomen.
 
 
 
CALEIDOSCOPIA is een diversiteitnetwerk van supervisoren met een migrantenachtergrond.
Doel van deze conferentie was zowel kennismaken met het diversiteitspel Caleidoscopia, kennis verdiepen van de theorie en het werken met diversiteit vanuit een caleidoscopisch perspectief. 
Het spel is ontwikkeld door Margie Kessler en Enith Pereira, docenten aan de Hogeschool van Amsterdam.
De doelgroep van Caleidoscopia zijn professionals en andere geïnteresseerden die te maken hebben met effecten van diversiteit in de samenleving en in hun werk: een breed publiek van supervisor, docent tot (personeels)manager, hulpverlener, e.a.


Inleiding
Supervisie
Eigenlijk is supervisie een westers instrument. Bij supervisie gaat het om reflectie op het individu: 'Wat heb jij geleerd?' Gechargeerd zou je kunnen zeggen: migranten reflecteren anders dan westerlingen. Dat veel migranten-studenten er niet in slagen hun hbo-certificaat van een opleiding Sociaal Maatschappelijke Dienstverlening te behalen, komt doordat ze niet goed geleerd hebben te reflecteren op het individú. Migranten komen vaak uit een wij-cultuur, een collectief systeem. Ze snappen niet wat de supervisor van ze wil, worden angstig en als je angstig bent kun je niet meer leren. Zou de supervisor de vraag anders formuleren, bijvoorbeeld vragen: 'Wat zou je familie zeggen dat je hebt geleerd?'dan kwam er misschien wél antwoord. Mij is gevraagd iets te vertellen over een andere, transculturele, manier van supervisie geven. Hoe je elkaar wel kunt begrijpen, mogelijk in wat de ontwikkelingspsycholoog Winnicott(1971) noemt de transitionele ruimte.
 
Chaos
Als hulpverlener maar ook als supervisor weet je nooit precies wat er speelt binnen een voor jou onbekende situatie, een nieuw systeem. Ik laat vaak een plaat zien waarop een vrachtwagen staat afgebeeld, volgestouwd met tassen en koffers. Bovenop die berg tassen en koffers zit een tiental duister uitziende individuen. Het lijkt alsof structuur totaal ontbreekt. Toch is er - als je beter kijkt - wel degelijk een structuur te ontdekken. Iedereen gaat uiteindelijk dezelfde kant op. Ook families zien er in eerste instantie uit als de reizigers op de vrachtwagen. Je weet niet hoe de verhoudingen tussen de familieleden zijn, hoe ze besluiten nemen en oplossingen bedenken. Je weet eigenlijk niets. Ook de supervisor en supervisant weten eigenlijk niets van elkaar. Toch gaan ze een pact met elkaar aan. Allebei moeten ze zichzelf als het ware opnieuw uitvinden om elkaar te begrijpen, stelt de antropoloog en psychotherapeut Meurs(1996), hoogleraar in Leuven. Dat gebeurt in wat Winnicott noemt de transitionele ruimte: een soort niemandsland op doorreis van het oude, bekende, naar het nieuwe onbekende.
 
In de organisatiecontext verwijst een transitionele ruimte naar een overgangsfase, een plek waar denken, fantaseren over de toekomst en spel centraal staan. In deze ruimte, tussen realiteit en fantasie, tussen innerlijke en uiterlijke realiteit, kunnen creatieve processen ontstaan.
Transitionele ruimte
Een tussenruimte waar het oude en het nieuwe elkaar ontmoeten, waar verleden en toekomst samen aanwezig zijn in het hier en nu. Het is nog niet echt, het is een tijdelijke, virtuele wereld waarin denken, fantaseren en dromen centraal staan. Een ruimte waarin creatieve oplossingen tot stand kunnen komen
Migranten hebben onherroepelijk te maken met de transitionele ruimte. Dit, omdat migratie altijd betekent dat je onderweg bent, onderweg van het oude naar het nieuwe land. In feite is iedereen een migrant of heeft ieder een migrant in zich. Ook de vrouw die uit Zeeland komt en al 20 jaar in Amsterdam woont. Als ze teruggaat naar Zeeland moet ze bedenken: ga ik ouderwets Zeeuws spreken (het Zeeuws is al die jaren niet 'bijgehouden') of Hollands en de deftige dame uit de grote stad uithangen. Niet in Amsterdam, niet in Zeeland, maar ergens onderweg, dat kan letterlijk in de trein zijn, maar ook figuurlijk - in de transitionele ruimte – lost ze het dilemma op. Voorwaarde is een veilige plaats.
Sylvia Prins(2005),psycholoog en sociaal antropoloog, schrijft weliswaar vanuit de context van organisaties in verandering maar stelt: ’Een veranderingsproces wordt ‘transitioneel’ genoemd wanneer er voldoende veiligheid, tijd en ruimte is om de emotionele consequenties van verandering door te werken. Mensen krijgen de gelegenheid om het oude los te laten en nieuwe manieren van zijn en werken te exploreren of te ontwikkelen. Het doel is het innerlijke van de betrokkenen af te stemmen op de nieuwe uiterlijke realiteit.’
 
Competenties
Vaak is de veronderstelling dat de supervisor het beter weet of meer kennis heeft dan de supervisant. Maar als het gaat om supervisie aan migranten, die op hun beurt vaak zelf migranten begeleiden, zou ik zeggen, bedenk: er zijn meer dan 180 nationaliteiten in Amsterdam. Hoe kun je van al die culturen precies alles weten? Je moet het als supervisor niet hebben van al die ik-weet-het-beter-concepten. Ken als supervisor je levensverhaal en zet je levenswijsheid professioneel in om de ander te verleiden zíjn of háár verhaal te vertellen. Zodat je je kunt verplaatsen in elkaars perspectief, om van perspectief te kunnen wisselen. Dat kan nieuwe inzichten opleveren. Voorwaarde is dat de omgeving waarin dat gebeurt een veilige omgeving is. In de dialoog zijn vijf interculturele competenties(Tjin A Djie,2000)belangrijk om inzicht te krijgen in jezelf en de ander.
1. Kennis van de eigen culturele bagage (vaderlandse, regionale en de familiegeschiedenis, normen en waarden, religie, enzovoort).
2. Kennis van andere culturen en de effecten van migratie (zijn het wij-of ik-culturen, matriarchaten of patriarchaten, wat zijn de belangrijkste tradities en religies, welke veranderingen brengen migratie teweeg?).
3. Weten waar je ongemakkelijk van wordt,weten wat je heilige huisjes zijn,
4. Wisselen van perspectief. Het creëren van een veilige plek waardoor dat mogelijk is.
5. Bewust zijn van, verborgen dimensies, blinde vlekken in de dialoog.
 
Hieronder zal ik een aantal van die begrippen wat meer uitleggen.
 
Interculturele competenties
Eigen culturele bagage
Wat is de eigen culturele bagage? Naast de geschiedenis van het eigen land, de eigen provincie, de normen en waarden, de religie, is de geschiedenis van je familie belangrijk. Vaak kijken hulpverleners alleen naar die ene persoon die hulp vraagt of naar het kerngezin daaromheen. Er is een blinde vlek ontstaan voor de grootfamilie. Maar de manier waarop je reageert op conflicten is vaak terug te vinden in de manier waarop generaties voor je dat deden. Als je ergens tegen aanloopt of vastloopt is het belangrijk je bewust te zijn van bestaande familiepatronen. Teken de familieleden binnen de verschillende generaties. Door naar je naam te kijken krijg je informatie over je familie. Waar komt jouw naam vandaan? Ben je vernoemd? Naar wie? Je oma? De zus van je moeder? Aan elke naam kleeft een bijzonder verhaal. Soms krijgen kinderen de naam van het overleden kind voor hen. Dat kan betekenen dat hun leven zwaar wordt,dat ze te horen krijgen: je broer was veel liever! Zij leven 2 levens.
Mijn naam is Kitlyn, afgeleid van Kit-Ling in het Chinees. En dat betekent 'genoeg dochters'. Toch kwamen er na mij nog twee meisjes. Ik kom uit een gezin met zes dochters. Ik ben de vierde op rij. Of je de oudste bent, de middelste of de jongste is essentieel voor je sociale ontwikkeling.
 
 
Matriarchaat of patriarchaat
In supervisie heb je altijd te maken met mensen die belangrijke besluiten moeten nemen. Ze weten het even niet meer, omdat ze bijvoorbeeld niet lekker in hun vel zitten of de aansluiting met de omgeving missen. Belangrijk is om middels de familietekening te achterhalen hoe de besluitvorming verloopt. Hoe worden oplossingen bedacht? In mijn familie namen de mannen in mijn vaders familie beslissingen. Mijn vader komt uit een patriarchale, mijn moeder uit een matriarchale familiestructuur. Dus zou er bij ons thuis veel ruzie zijn geweest als mijn oma van moederszijde mijn moeder niet regelmatig een klap op haar achterhoofd had gegeven: buig voor die Chinese mannen. Anders was het huwelijk nooit wat geworden. Mijn oma kon zich niet voorstellen dat mijn moeder ging scheiden van mijn vader die uit een puissant rijke familie kwam.
 
In onze familie zijn we in één generatie van een mannenbesluitvormingssysteem naar een vrouwenbesluitvormingssysteem overgegaan. Dat is bijzonder. Ons gezin van zes meiden heeft, samen met mijn moeder, de regie overgenomen. Mijn oudste zus heeft het gezag gedelegeerd gekregen, en ik heb het vanwege mijn vaardigheid om problemen op te lossen verdíend. Dan ben je lager in de rangorde. Mijn vader heeft wel geprobeerd mijn zwager aan te wijzen als zijn opvolger. De man van mijn derde zus. Ze zijn gescheiden, tot mijn mazzel, zeg ik altijd. Vandaar dat ik het kreeg.
 
Bicultureel
Klasse, sekse en religie zijn bepalende factoren in de ontwikkeling. Mijn moeder moest katholiek worden van mijn vaders familie. Veranderen van religie is al bijna een migratie op zich. Ik vraag ook altijd wie voortkomt uit een biculturele relatie. Als een op de drie monoculturele relaties strandt, dan geldt voor biculturele relaties dat acht op de tien strandt. Zo moeilijk is het om in een biculturele relatie in dialoog te blijven. Kinderen uit die huwelijken hebben het vaak zwaar, ze moeten loyaal zijn aan al die verschillende etnische en religieuze groeperingen en je wordt als kind natuurlijk snel in een kamp getrokken (Tjin A Djie,2001). Dat biculturele relaties spanningen met zich mee brengen heb ik aan den lijve ondervonden. Net als mijn moeder maakte ik mee dat mijn schoonfamilie vond: 'Jij deugt niet.' Mijn schoonmoeder zei tegen haar zoon - ik ben getrouwd met een Hollandse man afkomstig uit een gezin met een koloniaal verleden - 'Hou je bij je eigen ras.' 'Wat moet je met een Surinaamse,' zei mijn Chinese familie over mijn moeder. En een tak van mijn Duitse familie zei hetzelfde over mijn Creoolse oma. Conflicten worden vaak intergenerationeel overgedragen.
 
Collectief of individueel?
Belangrijk om te weten: is iemand afkomstig uit een collectief of individueel systeem. In individuele systemen moeten kinderen gelukkig zijn, slagen en waarmaken wat hun ouders niet hebben waargemaakt. Kinderen uit functionele, collectieve waardesystemen hebben vaak een andere taak, namelijk om het voortbestaan van de familie te garanderen. Ze moeten zorgen voor de anderen binnen de familie. Er wordt sterk gehecht aan familiecontinuïteit: individuele belangen worden afgestemd op familiale belangen(Tjin A Djie,2003).
 Een voorbeeld om het verschil te illustreren. Toen mijn jongste zoon zes was vroeg een moeder me: 'Hoe kan het dat jouw zoon beter zwemt dan die van mij?' Ze dacht dat ik vaak met hem ging zwemmen, wat niet zo was! Zij relateerde alles waarin haar kind slaagde of faalde aan zichzelf. Dat is het geval in individuele of psychologische waardesystemen. In collectieve systemen - waar ik uit voortkom - gebeurt dat niet. Daar geldt eerder dat kinderen schande over het systeem kunnen brengen. Schande speelt een grotere rol dan schuld. Systeemtherapeut Nel Jessurun(2004) geeft in een van haar artikelen het voorbeeld van een geadopteerd Koreaans meisje dat steeds gevraagd wordt wat haar gelukkig maakt. Als het meisje vraagt: 'Zal ik afwassen?' luidt het antwoord: 'Alleen als het jou gelukkig maakt.' Het meisje begrijpt dat niet. Als je niet kan voorzien in de behoefte van anderen, wat is dan de zin van het leven? Zo zijn mensen in collectieve systeem opgevoed, jezelf ontplooien is niet het allerbelangrijkste in het leven.
 
Stress en blinde vlekken
Ken je ongemakkelijkheid in ontmoeting met de vreemde ander. Het kan zijn dat er stress ontstaat op het moment dat je iemand ontmoet uit een andere cultuur of een ander systeem. Ik teken meestal een schema ter verduidelijking: aan de ene kant de eigen familietekening, aan de andere kant de familietekening van de andere vreemde onbekende, daartussenin de zaken die stress veroorzaken. Het kan zijn dat je gewend bent, dat mannen vrouwen een hand geven ter begroeting en dat je iemand ontmoet uit een systeem waarin mannen vrouwen geen hand geven. Wat voor jou vanzelfsprekend is kom je vaak pas te weten als je met andere gewoontes geconfronteerd wordt.
Je moet er van uitgaan dat er ook altijd verborgen dimensies zijn in communicatie: blinde vlekken. In Nederland zijn er bijvoorbeeld veel doen-spreekwoorden. Impliciet gaan die ervan uit: Je mag niet stilzitten. Ledigheid is des duivels oorkussen. Mensen uit collectieve systemen zien dat dikwijls anders. Ze nemen de tijd 'to synchronize' - een term uit de antropologie - om de binnenwereld af te stemmen op de buitenwereld. Ogenschijnlijk zitten ze te zitten en te niksen, maar ondertussen zijn ze heel 'groeizaam' bezig. Je ziet dat veel in Afrikaanse landen, maar ook Friezen doen het. Die noemen het 'skimmeren'. Bij het vallen van de duisternis neemt men tijd om aan te passen aan de nacht. 'Laat het licht nog even uit,' zeggen de boeren dan. Even acclimatiseren. Een andere blinde vlek kan zijn: verschil in communicatiestijlen. Westerlingen willen vaak overal over communiceren in de zin van praten. Andere culturen doen aan 'lijflezen': ze lezen de gemoedstoestand af aan het lijf zonder dat de ander iets hoeft uit te leggen. Hoe moeilijk het is ook, probeer de blinde vlekken op te sporen door referentiekaders duidelijk te maken. Wees nieuwsgierig. We zijn vaak geneigd overeenkomsten te zoeken, ik ben juist geïnteresseerd in de verschillen: 'Vertel, vertel, vertel, hoe zit dat bij jou?'
 
Beschermjassen en werkzame bestanddelen
Faseovergangen
Je treft in supervisie vaak mensen aan die in faseovergangen verkeren. Een faseovergang is een overgang waarbij je van de ene levensfase overgaat naar de andere. Je verandert van een tiener in een adolescent, van een adolescent in een volwassene. Die faseovergangen kenmerken zich door onzekerheid, maar is nodig om in de volgende fase te geraken. Je moet jezelf hervinden. Ook als je gaat verhuizen, een andere baan of een baby krijgt is er sprake van een faseovergang. Bij elke faseovergang kunnen eerdere trauma’s en migraties terugkeren. Trauma’s en migraties zijn bijzondere levensfasenovergangen(Jessurun 1995) omdat zij zich in elke faseovergang opnieuw presenteren. Je spreekt dan van een gelaagde faseovergang. Een Surinaamse tienermoeder bijvoorbeeld, heeft dan niet alleen te maken met de overgang van kindertijd naar adolescentie en jong moederschap, maar ook de verlieservaring van de migratie keert terug. De periode tussen de ene en andere fase: de tussenfase, noemen antropologen, van Bekkum e.a.(1996),ook wel de liminele fase. Limen betekent op de drempel. Een besef hebben het oude kwijt te zijn maar nog niets in handen te hebben om met de nieuwe situatie om te gaan. Bij de GGZ zien we regelmatig mensen in deze fase binnenkomen, ze vertonen schijnbaar psychiatrische klachten. Maar in feite hebben ze te maken met 3 of 4 faseovergangen, tegelijkertijd. De liminele fase is vergelijkbaar met de transitionele ruimte. Het is een kwetsbare, maar ook hele creatieve fase. Omdat er even helemaal niets is, is er ook ruimte voor nieuwe zaken.
 
Hernemen
'Enveloppement' is een term uit de Franse transculturele psychologie,Sterman(1996) geeft mooie voorbeelden in zijn boek. Als je mensen 'envelopped' oftewel inbedt in de groep of cultuur waaruit ze afkomstig zijn, zie je dat ze zich hernemen. Ineens beschikken ze weer over allerlei krachtenbronnen en bedenken oplossingen. Het zit 'm soms in hele kleine dingen: eten, cultuur, poëzie, muziek, taal...Geëmigreerde bejaarde Nederlanders in Australië die dement leken, gingen toen ze werden ondergedompeld in de eigen taal, zich ineens weer van alles herinneren. Het effect van enveloppement of inbedding is als een beschermjas(Tjin A Djie,2003). Wij supervisoren zijn beroepsherinneraars (Ramdas,1996)). Mensen in problemen hebben vaak last van verkokerd denken. Als mensen zich niets herinneren of niemand hebben die hen kan steunen help je de herinnering openen. Migranten zijn vaak visueel ingesteld, dus vraag ik ze een familietekening te maken. Dan komt ineens de herinnering aan dat ene nichtje boven, dat wel gebeld kan worden voor steun. Anil Ramdas(1992),essayist, vertelt in zijn verhaal 'Heimwee' zo treffend dat de grootste ramp voor migranten discontinuïteit is. ’Het probleem van integratie, dat wil zeggen, het integreren van onze ervaringen uit het verleden met die van het heden. Het probleem van aanpassing, dat wil zeggen, het aanpassen van ons vroegere zelf aan ons huidige zelf’. Ik vraag mensen dus terug te gaan naar een herinnering en een equivalent in het heden te bedenken. Een vrouw vertelde me dat ze na de geboorte van haar eerste kind in Amsterdam wel terug kon kruipen naar Brabant, naar haar moeder van toen. Of neem dat meisje uit Mongolië, een ama, dat helemaal de weg kwijt was. Hulpverleners brachten haar naar Scheveningen, dat landschap lijkt heel erg op Mongolië, en daar kon ze zich hernemen. Of neem de supervisant die tijdens het herstel van een levensbedreigende ziekte alle geboorteplekken van haar voorouders in Groningen en Drenthe opzocht. Deze herinneringen stellen mensen in staat over verlieservaringen of andere weggestopte pijnlijke situaties te spreken. Het creëren van continuïteit is vaak heilzaam.
 
Eigen veiligheid
Vaak gaat het in supervisie om uitsluiting, je in de zijlijn gedrukt voelen, kwetsbaarheid. Ik zeg altijd: werken met diversiteit is altijd werken in onzekerheid. Dus is het belangrijk je kwetsbare plekken en je krachtbronnen te kennen. Ook de supervisor moet de eigen veiligheid kunnen creëren. Doet de supervisant iets waardoor de supervisor zich onveilig voelt, dan moet hij of zij dat weten en weten hoe zich te hernemen. Als ik uit het lood geslagen word, dan grond ik me, ik ga denkbeeldig op mijn oma leunen, ze is allang dood. Mensen zien me dan ook letterlijk groeien. Ik laat supervisanten zien hoe ik me herneem. Je leert het meest door te laten zien. 'Practice what you preach.' Wat je het liefst wil is dat de ander zich verantwoordelijk maakt voor de veiligheid van beiden. De supervisor kan de supervisant vragen: 'Waar ik niet goed mee omga is ruzie. Als we van mening verschillen ga ik proberen het glad te strijken, maar dan wil ik dat jij me waarschuwt. Want ik wil dat niet.' Beiden worden verantwoordelijk voor de kwetsbare plekken, beiden kunnen daarvan leren.
Op het moment dat je onderuitgaat moet je weten dat het jouw ding is. Dus niet denken: wat is zij een vreselijk mens dat ze zegt dat, maar: dit was mijn zere plek. Je moet in kaart hebben, dat zijn die pijnplekken en je moet weten hoe je te kunnen hernemen. Anders kun je niet meer van perspectief wisselen.
 
Werkzame bestanddelen
Dienke Hondius(1999) gaf in haar onderzoek naar biculturele relaties aan dat biculturele relaties slagen als stellen bepaalde gevoeligheden accepteren en bepaalde gevoelige onderwerpen vermijden. Dat zijn succesfactoren of werkzame bestanddelen. Niet alles hoeft gezegd te worden. Mijn oudste zoon was 16 jaar toen hij thuiskwam van de middelbare school met de opmerking: 'Mam, de mentor heeft gezegd dat ik een indolente houding heb. Dat ik lui ben, omdat ik een Surinaamse moeder heb.' Ik riep: 'Alle messen en bijlen in de tas, we gaan!' 'Nee,' zei mijn zoon, 'dan verspeel ik mijn krediet.' En mijn Hollandse man, vond: 'Hij heeft wel gelijk, we gaan niet.' Toen kwam bij mij al het venijn boven en zei ik tegen hem: 'Jouw grootvader heeft in Atjeh al die Javanen afgeslacht.' Vervolgens zwijg ik er dan weer tien jaar lang over. In mijn gezin is de koloniale geschiedenis en het slavernijverleden een pijnlijk onderwerp en lastig bespreekbaar. We laten het rusten, totdat het toch getriggerd word. Kinderen gooien zout in de wonde, die testen die biculturele relatie. Ook voor supervisie is het soms werkzamer om sommige zaken te accepteren en te laten rusten. Mensen afkomstig uit de Indische en Aziatische culturen voelen zich ongemakkelijk als ze voortdurend verbaal moeten reageren en zich bloot moeten geven. Dat zijn ze niet gewend. In die culturen is lijflezen veel belangrijker maar die communicatiestijl vindt je ook in Nederlandse families(Arends,1998).
 
Voorkeurstijlen
In Nederland is er een dominante opvatting over eenduidigheid. Dat is absoluut een ramp voor de multiculturele samenleving. Kinderen willen loyaal zijn. In Nederland vindt men vaak dat je moet kiezen, loyaal moet zijn aan de ene cultuur of aan de andere. Maar je hebt als mens toch verschillende loyaliteiten? Ten aanzien van je moeder, je kind, collega... Waarom zou je niet vandaag kunnen kiezen voor je familie, en morgen voor jezelf? Misschien moet je er niet naar streven dat iedereen hetzelfde is of moet zijn, maar kijken wat iemands voorkeurstijl is. Maar het een sluit het ander niet uit. Dat geldt ook ten aanzien van communicatiestijlen. Je kunt gericht zijn op cognitieve, gevoelstaal,zielentaal,auditief of visueel ingesteld zijn. En ik vind eigenlijk dat je als supervisor al die talen moet beheersen. Emotionele taal is bijvoorbeeld praten over gevoel: ik voel... Cognitieve taal is dat je ingaat op inhoudelijke zaken. Als supervisant en supervisor voortdurend in de eigen voorkeurstaal blijven spreken krijg je irritatie en is het niet meer mogelijk van perspectief te wisselen. Als supervisor moet je kunnen herkennen: dat is de gevoelstaal en kunnen overschakelen. Ook van positie kunnen wisselen is een belangrijke vaardigheid die supervisoren moeten ontwikkelen.
 
Al deze technieken zijn naast de interculturele competenties belangrijk voor het tot stand brengen van een transitionele ruimte die veilig is, zodat veranderingen tot stand kunnen komen. Voor de supervisor en voor de supervisant.Veiligheid is een voorwaarde, anders kun je niet leren. De transitionele ruimte is als het ware een heilige plaats geworden, waar heling plaatsvindt.
 
 
 
 
Literatuurlijst
 
 
   -Arends,A.M.(1998)Het ondergesneeuwde lichaam. Tijdschrift voor Sociale Psychiatrie, 51, 13-25.
-Bekkum van, D, Marcel v.d. Ende, Suzanne Heezen, Arjaan Hijmans van den Bergh,(1996)Migratie als Transitie: Liminele kwetsbaarheid van migranten en implicaties voor de hulpverlening, in: Handboek Transculturele Psychiatrie en Psychotherapie, J. de Jong en M. v. d. Berg, (red.) .
-Hondius, D.(1999). Gemengde huwelijken, gemengde gevoelens. Aanvaarding ontwijking van etnisch verschil sinds 1945.Den Haag : Sdu uitgevers.
-Jessurun, C.M.(1995) Genogrammen. Etniciteit en hulpverlening
In: Hoogsteder,J.Etnocentrisme en communicatie in de
hulpverlening. Utrecht: Stichting Landelijke
Federatie Welzijnsorganisaties voor Suriname, pp. 17190
-Jessurun, C.M.(2004) Hoe meer verschillen, hoe meer vreugd
uit: Meer kleur in de Jeugd-GGZ, redactie R.Beunderman,
A.Savenije, M.Mattheijer, P.Willems. Koninklijke van Gorcum,
Assen
- Sterman, D. (1996). Een olijfboom op de ijsberg. Een transcultureelpsychiatrische visie op de behandeling van de problemen van jonge Noord-Afrikanen en hun families. Utrecht: Nederlands Centrum Buitenlanders.
-Meurs, P.(1998): ’Verlangen naar verwevenheid met cultuur van herkomst. De psychodynamiek van migratie in verschillende gedaanten’, in P. Meurs & A. Gailly (Red.), Wortelen in andere aarde. Migrantgezinnen en hulpverleners ontmoeten cultuurverschil. Leuven/Amersfoort: Acco.
Nieuwsbrief NVOA (Netwerk Vrouwelijke Organisatie Adviseurs ), nummer 4, 2001, 11-13
 
-Prins,S.(2005):’Verandering en ontwikkeling: inzichten in de ontwikkelingspsychologie van Winnicott in organisaties’ uit: Tijdschrift voor Psychoanalyse, 4, 290-291.
-Ramdas,A.(1992).’Heimwee’,in De papegaai, de stier en de klimmende bougainvillea, essays,De Bezige Bij.
-Ramdas, A.(1996). De beroepsherinneraar en andere verhalen.
Amsterdam: De Bezige Bij.
-Tjin A Djie, Kitlyn, (2003).Beschermjassen. Een wijze van hulpverlenen waardoor ouders en kinderen uit Wij-systemen worden ingebed in hun familie en cultuur;Systeemtherapie, 15 (1) 17-39
-Tjin A Djie, Kitlyn, (2001) De bijzondere opdracht van migrantenkinderen, In: Over een grens, psychotherapie met adolescenten, C. Roosen, A. Savenije, A. Kolman, R. Beunderman, (redactie), van Gorcum, Assen,.
-Tjin A Djie, K. (2000). Ouderschap in een Wij systeem, 2e Alice van der Pas Lezing. Rotterdam: Stichting Interdisciplinair Netwerk Ouderbegeleiding (INO).
-Winnicott, D.W. (1971). Playing and Reality, Routledge, London
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Kitlyn Tjin A Djie is transcultureel systeemtherapeut, opleider, supervisor en coach. Voor meer informatie surf naar www.beschermjassen.nl
Met dank aan mijn leertherapeut, Monique Jongerius, die letterlijk en figuurlijk de transitionele ruimte creëerde. Veranderd en geheeld verliet ik na vier dagen en drie nachten haar huis. Met een rijk gevulde moetete, de draagzak van de indianen waar verleden, heden en toekomst samenkomen.
 
 
 
CALEIDOSCOPIA is een diversiteitnetwerk van supervisoren met een migrantenachtergrond.
Doel van deze conferentie was zowel kennismaken met het diversiteitspel Caleidoscopia, kennis verdiepen van de theorie en het werken met diversiteit vanuit een caleidoscopisch perspectief. 
Het spel is ontwikkeld door Margie Kessler en Enith Pereira, docenten aan de Hogeschool van Amsterdam.
De doelgroep van Caleidoscopia zijn professionals en andere geïnteresseerden die te maken hebben met effecten van diversiteit in de samenleving en in hun werk: een breed publiek van supervisor, docent tot (personeels)manager, hulpverlener, e.a.