Caleidoscopia: een diversiteitsspel

Lezing prof.dr. Gloria Wekker

 

CONFERENTIE CALEIDOSCOPIA: “ONTMOETING OVER GRENZEN”
4 maart 2005
Gebouw Bruynvis – Keizersgracht 105 – Amsterdam
Organisatie: Diversiteitsnetwerk Supervisoren met een migrantenachtergrond
 
Lezing Prof. Dr. Gloria Wekker
Hoogleraar Gender en Etniciteit en Directeur van GEM, expertisecentrum Gender, Etniciteit en Multiculturaliteit.
Universiteit Utrecht
 
Hartelijk welkom, iedereen!
Het doet me genoegen u hier in zo grote getale bijeen te zien en ook het thema van deze bijeenkomst spreekt mij aan. Het is bevredigend te constateren dat de theorie over verschil, die we, mijn mede-redacteuren Maayke Botman, Nancy Jouwe en ik,   intersectionaliteit noemden en waarover we in 2001 het boek “Caleidoscopische Visies” publiceerden, terug te vinden is in de beroepspraktijk van professionele begeleiders via het spel Caleidoscopia. De onderlinge kruisbestuiving tussen degenen die een theoretisch kader op een bepaald terrein aanbieden en degenen die er in hun dagelijkse praktijk mee werken is buitengewoon belangrijk en leidt tot verrijking en nuancering van het oorspronkelijke gedachtengoed.
 
Ik wil u vandaag wat vertellen over de relevantie van het intersectionele denken, dat ook wel kruispunt-of caleidoscopisch denken genoemd wordt. Ik zet hierbij het dominante denken over “verschil” en het kruispuntdenken naast elkaar en vergelijk ze met elkaar. Mogelijk biedt dit aangrijpingspunten voor de praktijk van supervisoren en andere professionele begeleiders die “verschil” een integraal deel van hun handelen willen maken.
 
1          Historisch perspectief
 
Het idee achter intersectionaliteit speelde reeds een rol tijdens de eerste feministische golf in de Verenigde Staten . Sojourner Truth (1797-1883), een voormalige slavin, die geboren werd als eigendom van een rijke Nederlandse slavenmeester in de Staat New York, kwam op voor de mensenrechten c.q. zwarte vrouwenrechten. Zij was actief, zowel in de beweging voor de afschaffing van de slavernij als in de vrouwenbeweging. Haar protest tegen de uitsluiting van zwarte vrouwen tijdens een campagne voor stemrecht van witte Amerikaanse vrouwen (1854) is bekend geworden. Tijdens haar inleiding waarin zij verschillende facetten van haar leven schetste, vroeg zij telkens weer “Ain’t I a woman?” (Ben ik dan geen vrouw?) Met die vraag deconstrueerde zij de in dominante kringen circulerende inhoud van het begrip “vrouw”; zij wees op de onzichtbare, maar vanzelfsprekende status van witheid, waardoor andere vrouwen buitengesloten werden.
Het werk van veel zwarte Amerikaanse en Britse wetenschappers sinds die tijd kan onder het kopje “intersectionaliteit” geplaatst worden. In 2001 tijdens de VN-Wereldconferentie in Durban (Zuid-Afrika) tegen Racisme en andere vormen van Discriminatie (WCAR), introduceerde Kimberle Crenshaw, Noord Amerikaanse juriste, de term “intersectionele discriminatie” op basis van de verwevenheid tussen gender en etniciteit: discriminatie/ racisme/ uitsluiting treft zwarte vrouwen anders dan zwarte mannen, terwijl uitsluiting van witte vrouwen er weer anders uitziet.
In Nederland heeft de intersectionele theorie ingang gevonden als “Kruispuntdenken” in de publicatie “Caleidoscopische Visies” (M. Botman, N.Jouwe en G.Wekker, 2001).
 
 
2          Dominante manieren van denken over “verschil”
 
Eerst wil ik wat zeggen over dominante manieren van denken over “verschil”, waarmee wij allemaal te maken hebben. Het gaat dan om verschillen in gender, etniciteit, klasse, seksualiteit, leeftijd, nationaliteit, en zo zijn er nog wel een paar op te noemen. Mijn collega Helma Lutz onderscheidt 14 dimensies van verschil, waarmee afhankelijk van de context rekening gehouden moet worden (Tijdschrift voor Gender Studies, 2002). Deze dimensies structureren of geven richting aan de manier waarop de samenleving is georganiseerd; zij worden daarom maatschappelijke ordeningsprincipes genoemd die werkzaam zijn op verschillende nivo’s: op persoonlijk, op symbolisch en op institutioneel nivo. Ik zal nu eerst bij enkele belangrijke verschillen – gender, etniciteit, seksualiteit en klasse- waarmee we allemaal te maken hebben, illustreren hoe die op de verschillende nivo’s werkzaam zijn.
 
 
Gender
 
Gender is het gelaagde maatschappelijke systeem, dat betekenis geeft aan de biologische verschillen tussen mannen en vrouwen.
 
Hoe is “gender” werkzaam op de verschillende nivo’s?
·         op persoonlijk nivo organiseert “gender” de samenleving door eigenschappen toe te schrijven aan mannen en vrouwen: vrouwen zijn emotioneel en mannen zijn rationeel;
·         op symbolisch nivo kent gender verschillende waardering toe aan datgene wat mannen en vrouwen doen: mannelijkheid wordt in het algemeen hoger gewaardeerd dan vrouwelijkheid. Mannelijkheid en vrouwelijkheid geven betekenis aan ons leven, aan ons, aan de dingen die we ondernemen. Bijvoorbeeld: wanneer er veel vrouwen in een beroepsgroep zitten, blijkt dat aan het beroep geen hoge status wordt toegekend (onderwijs, verpleging). Zodra echter meer mannen het beroep uitoefenen stijgt de status van het desbetreffende beroep.
·         Op institutioneel (maatschappelijk) nivo bewerkstelligt “gender” een mechanisme waar een “natuurlijke” opvatting van “gender” aan ten grondslag ligt. Bijvoorbeeld: vrouwen zorgen voor de huishouding en mannen zijn de kostwinners. Hierdoor hebben we niet alleen te maken met een verschillende waardering voor de verschillende typen activiteiten waar mannen en vrouwen traditioneel mee geassocieerd zijn, maar ook met een institutionele vertaling daarvan: vrouwen krijgen nog steeds niet dezelfde beloning voor dezelfde arbeid als mannen.
 
Aan deze illustraties is af te lezen dat gender niet alleen inwerkt op het leven van vrouwen, maar net zo goed het leven van mannen structureert; het heeft echter langer geduurd voordat de studie van de systematiek van gender in het leven van mannen binnen Vrouwenstudies van de grond is gekomen. 
Op dezelfde wijze zijn dimensies zoals etniciteit en klasse en andere dimensies, werkzaam op dezelfde drie nivo’s. Nog een aantal illustraties:
 
Etniciteit
 
Etniciteit is het maatschappelijke systeem dat betekenis geeft aan etnische verschillen tussen mensen- aan de verschillen die op grond van afkomst, uiterlijk, geschiedenis, cultuur, taal en religie tussen mensen gemaakt kunnen worden.
In het Nederlandse common sense denken, maar ook in veel academische vertogen, is het zo dat wanneer het over “etniciteit” gaat, er vooral aan “zij”/ de Ander/ allochtonen gedacht wordt, niet aan “autochtonen”. Net zoals bij gender mannelijkheid zich lange tijd aan analyse onttrok, is bij etniciteit “autochtoon”- zijn zo’n “natuurlijke” categorie, dat de betekenis ervan in Nederland nog nauwelijks een onderzoeksthema is. Er is dus op een systematische manier sprake van asymmetrie in ons begrip van deze dimensies, waarbij steeds de meer machtiger poot van ieder paar buiten haakjes geplaatst en dus tot norm gemaakt wordt.
 
Ik vermijd het begrippenpaar “autochtoon- allochtoon” doorgaans, omdat zij het wij-zij denken steeds opnieuw nieuw leven inblazen. Beide begrippen zijn geconstrueerde werkelijkheden, die de schijn ophouden dat het om transparante, helder van elkaar te onderscheiden categorieëen gaat, terwijl de onderlinge culturele vermenging en beinvloeding, die al lang gaande zijn, er niet in verdisconteerd kunnen worden. “Autochtoon” is bovendien net zo’n geconstrueerd begrip als “allochtoon”, omdat er homogeniserende processen in gang gezet worden, die de verscheidenheid binnen de categorie aan het oog onttrekken: immers binnen de categorie “autochtoon” bevinden zich velen, die voorouders hebben die ook van elders afkomstig waren, maar die er – door hun uiterlijk en cultuur- in geslaagd zijn hun claim op “autochtoon”-zijn met succes te doen. “Allochtonen” echter zijn degenen die door hun huidskleur of hun afwijkende cultuur of religie niet in staat zijn een als legitiem ervaren claim op het Nederlanderschap te doen. De term zet dus, zonder dat het betreurenswaardige begrip “ras” in de mond genomen hoeft te worden, racialiseringsprocessen in gang; iedereen weet dat het begrip verwijst naar mensen –van –kleur en hun afstammelingen tot in het n-de geslacht. In de laatste jaren is het begrip verengd, waardoor nu voornamelijk Islamieten geconstrueerd worden als de ultieme Ander, maar niet zo lang golden Surinamers en Molukkers als niet inpasbaar binnen de Nederlandse samenleving. Zolang er niet meer variatie en pluriformiteit ontstaat binnen wat het betekent om Nederlander te zijn, maar Nederlanderschap samenvalt met de dominante etnische positionering, dus met witheid en met Christendom, blijft een werkelijk multiculturele samenleving buiten ons bereik.
 
Etniciteit beslaat dus volgens het intersectionele denken zowel gemarkeerde etniciteiten (bijv: Turken, Marokkanen, Surinamers) als niet-gemarkeerde (de witte etnische positie). “Ras”/ etniciteit structureren, net als gender, de samenleving. Ik weet niet of u zich nog het voorval van een aantal jaren geleden kan herinneren toen Koen en Teun – een witte en een zwarte baby – via KI werden geboren. Door een fout bij het toepassen van deze nieuwe technologie, werd er abusievelijk zaad van twee donoren, een witte en een zwarte, gebruikt. Hun vader en moeder zagen in dat het heel waarschijnlijk zou zijn dat Koen en Teun elk een ander leven zullen hebben, zij zullen anders behandeld worden door hun omgeving en ze zullen – helaas- waarschijnlijk ook andere kansen in hun leven hebben. Hiermee zien we dus ook dat het bij etniciteit gaat om een mechanisme dat op verschillende niveau’s werkzaam is: het structureert het persoonlijke leven van mensen, het kent een verschillende maatschappelijke waardering toe aan verschillende etniciteiten en het komt ook institutioneel tot uiting, bv. door het feit dat het niet onwaarschijnlijk is dat Koen en Teun, stel dat ze dezelfde beroepen uit zullen gaan oefenen, ongelijk loon voor die arbeid zullen ontvangen.
 
Seksualiteit
Gaat het over “seksualiteit” dan zien we dat de geijkte categorieën waarmee we dit domein ordenen, die van hetero-, homo-, en biseksualiteit zijn. Twee dingen wil ik hier over seksualiteit zeggen: ten eerste, het is niet zo dat deze verschillende seksuele positioneringen een gelijke maatschappelijke waardering kennen en ten tweede, hoe moeilijk het is om biseksualiteit binnen een binair systeem van denken te theoretiseren.
Ter illustratie van het eerste punt. Onlangs sprak ik met de moeder van Joppe – die is 10 jaar- en hij zegt tegenwoordig tegen zijn twee moeders dat hij later echt geen homo wil worden en dat ze ermee op moeten houden te zeggen “later als je een vriend of vriendin hebt….”. Hij heeft nu in de gaten gekregen dat homo-en heteroseksualiteit nou eenmaal niet in dezelfde mate gewaardeerd worden en hij wil gewoon een vriendin. En gelijk heeft hij als het voornaamste scheldwoord dat zijn vriendjes onder elkaar gebruiken “homo” is.
 
Klasse
Hebben we het over klasse, tenslotte, dan dient opgemerkt te worden dat dit een categorie is die in het algemeen in de laatste jaren niet de aandacht gekregen heeft die noodzakelijk is. De samenleving bestaat uit verschillende klassen, -welk criterium men daarbij ook hanteert, opleiding, inkomen, afkomst of een combinatie van deze factoren - maar in weinig statistieken zien we die werkelijkheid terug. Klasse is ook werkzaam op de drie nivo’s die ik eerder onderscheidde: het persoonlijke, symbolische en institutionele nivo.
Door het ontbreken van aandacht voor klasse, hecht het zich als automatisch aan andere belangrijke maatschappelijke “grammatica’s van verschil”. Zo wordt vrij algemeen aangenomen dat “allochtoon” –zijn automatisch betekent dat je lid van de lagere klasse bent, terwijl men als “autochtoon” gemakkelijker tot de middenklasse gerekend wordt.
 
 
Het dominante denken is het denken zoals we het geleerd hebben; dat is namelijk het OF-OF denken, het binaire denken. Dit denken houdt tegelijkertijd altijd een boven- en onderschikking in: iemand is man of vrouw, homo of hetero, autochtoon of allochtoon. Binnen ieder van die paren bestaat er een machtsverhouding, een grotere waardering van de ene term boven de andere. De Amerikaanse juriste Patricia Williams laat in haar bundel lezingen “Towards a colorblind Future” zien dat in door ras of etniciteit gestructureerde samenlevingen kleine kinderen vanaf 3 a 4 jaar, al weten dat het meer voordelen oplevert wit te zijn dan gekleurd. Hetzelfde geldt nog steeds voor mannelijkheid en vrouwelijkheid: jongetjes en meisjes weten vanaf dezelfde leeftijd al dat jongetjes het leuker hebben, meer mogen. Aan deze voorbeelden is te zien dat gender, ras/etniciteit, seksualiteit en klasse fungeren als mechanismen waarlangs de samenleving geordend wordt, dus werkzaam zijn op institutioneel nivo. Maar daarnaast hebben ze ook invloed op de vorming van de persoon, dus op het persoonlijk nivo, en op symbolisch nivo.
 
De manieren van denken over “verschil” die ik geschetst heb worden gekenmerkt door:
·         Binariteit (man-vrouw; homo-hetero; autochtoon-allochtoon)
·         Uitsluiting (zie Joppe)
·         Hierarchie (zie onderzoek Patricia Williams)
·         Eendimensionaliteit (Of –Of denken)
 
 
3          Kruispuntdenken of Intersectionaliteit
 
Het is niet gemakkelijk om je het Kruispuntdenken eigen te maken: het gaat in tegen het common sense denken in de samenleving en tegen alles wat we geleerd hebben, namelijk denken vanuit het OF-OF perspectief. Het Kruispuntdenken daarentegen propageert het EN-EN perspectief: het bekijkt gender, etniciteit en alle andere ordenende mechanismen niet apart, maar gaat ervan uit dat ze allemaal tegelijkertijd werkzaam zijn en samen tot stand komen, elkaar co-construeren. Nemen we gender en etniciteit als voorbeeld dan wil dat zeggen dat gender altijd al ge-ëtniceerd is en etniciteit altijd al van een genderbetekenis is voorzien. Zo ook met klasse en seksualiteit. In het eerdergenoemde voorbeeld van Teun en Koen maakt het verschil dat het om jongens gaat en van welke klasse-achtergrond ze zijn. Hoewel kruispuntdenken – internationaal gezien- vooral door vrouwen van kleur is geïnitieerd en gepropageerd, hoef je niet een zmv (=zwarte, migranten vluchtelingen)- vrouw of- man te zijn om het je eigen te maken. Het is belangrijk – om te beginnen – dat men bereid is de eigen positie onder ogen te zien. Kruispuntdenken is een manier van denken, handelen en kijken naar je omgeving die uitnodigt tot:
 
·         Inclusief en dynamisch denken; het is mogelijk om over al de dimensies waarin verschil optreedt na te denken op een manier die niet binair is. Sommigen (velen) van ons voelen ons niet echt thuis in de voorgeschreven, uitsluitende hokjes op het gebied van gender, etniciteit en seksualiteit;
·         Insluiten: het gaat om een insluitend perspectief; beroemde blinde vlekken worden niet buiten beschouwing gelaten, net zoals mannen door gender gesitueerd worden (mannen krijgen een hogere maatschappelijke waardering dan vrouwen), worden witte mensen door etniciteit een positie toebedeeld (witheid is de dominante norm, ook in een multiculturele samenleving. Aan witheid zijn allerlei onverdiende privileges verbonden. McIntosh (1989) maakte een lijst met ongeveer 60 items, dagelijkse privileges waar witte mensen – of ze zich daarvan bewust zijn of niet en meestal zijn ze dat niet- op kunnen rekenen: “ik kan de tv aan zetten en er redelijk zeker van zijn dat ik mensen van mijn groep op een positieve manier verbeeld zie; ik kan naar de winkel gaan en er zeker van zijn dat de winkeldetective niet achter mij aankomt; ik kan naar de universiteit toegaan en er zeker van zijn dat ik cursussen vind die aansluiten bij mijn belangstellingssfeer”.
·         Verwevenheid: de ordeningsmechanismen zijn gelijktijdig werkzaam en beinvloeden elkaar en spelen in samenhang een rol (wisselwerking);
·         Multidimensionaliteit: iedereen heeft een identiteit die uit meerdere dimensies bestaat; zo is iemand bijvoorbeeld niet alleen maar man, maar tegelijkertijd ook wit, hoogopgeleid en jong. 
 
 
4          De andere vraag stellen
 
Waarom is die multidimensionaliteit belangrijk?
Om iedereen evenveel recht te doen door insluiting en wederkerigheid.
 
Om vanuit het multidimensioneel perspectief te kunnen blijven kijken is het belangrijk om de andere vraag te stellen.
Bijvoorbeeld:
·         Hebben we het over gelijke beloning van mannen en vrouwen, dan blijkt uit de statistieken rond loongegevens in Nederland dat autochtone mannen éénderde meer verdienen dan allochtone vrouwen. Deze loonverschillen, uitgesplitst naar gender en etniciteit, blijven echter onzichtbaar in het beleid, omdat er bij beleidsmakers te weinig oog is voor de verwevenheid van gender en etniciteit. Meestal wordt alleen maar gesteld dat mannen meer verdienen dan vrouwen. Het gevolg hiervan is dat de specifieke problematiek van allochtone vrouwen buiten beeld blijft (uitsluitingsmechanisme). Belangrijk is het dus je af te vragen om welke mannen en om welke vrouwen het gaat.
 
·         Hebben we het over beeldvorming dan associeert men het begrip ‘vrouw’ vaak in eerste instantie met een witte vrouw, net zoals bij het begrip migrant in eerste instantie gedacht wordt aan een man. Door het begrip ‘vrouw’ te koppelen aan het begrip ‘zwart’ of `migrant’ (zwarte of migrante vrouw), ontstaat veelal een andere betekenis, t.w.: een onderontwikkelde vrouw.
      Het hanteren van het begrip ‘vrouw’ alleen (ééndimensionaal) geeft dus niet alleen   
      geen volledig beeld, maar het bevestigt ook steeds de dominante positie van
      witheid; de categorie die zich niet hoeft te benoemen.
      Belangrijk is het om de vraag te stellen om welke vrouwen (multidimensionaal)
      het gaat en om welke vrouwen het niet gaat: gaat het om witte, oudere,
      hoogopgeleide, etc. vrouwen of  zwarte, jongere, laagopgeleide, etc. vrouwen?
 
·         Hebben we het over machtsverhoudingendan is het belangrijk de vraag te stellen welke normerende werking en/of machtswerking er uitgaat van verschillen als gender, leeftijd, klasse, etniciteit, etc. Bijvoorbeeld: aan de koppeling van de dimensies gender en etniciteit liggen machtsstructuren ten grondslag, op grond waarvan bepaalde groepen privileges hebben die anderen niet hebben. Zo is de machtspositie waarin een witte man verkeert meestal sterker dan die waarin een zwarte man verkeert. In een vergelijkbare ongelijke machtsverhouding staat een witte man t.o.v. een witte vrouw. Wordt de koppeling tussen de dimensies niet gemaakt, dan ontgaan ook de machtsstructuren (de hierarchie tussen de maatschappelijke posities) aan onze beschouwing.
 
 
Conclusie
Het Caleidoscopisch kijken en denken kan behulpzaam zijn bij het kijken vanuit een multidimensioneel perspectief. Het kan geassocieerd worden met het kijken naar de kleurrijke, bewegende beelden in een caleidoscoop, die steeds weer op verschillende manieren een bepaalde vorm (patroon) aannemen. Zo nemen we ook posities in ten opzichte van elkaar, persoonlijk, symbolisch en institutioneel. Er is geen sprake van statische geijkte patronen.
Caleidoscopisch denken stelt ons in staat overheersende, dominante gegenderde of etnische posities te zien en kritisch te bevragen. Doordat “witheid” niet meer onzichtbaar en ongrijpbaar is kan men zich ook bewust worden van de betekenis van het wit zijn. Hoe is het om wit te zijn? Welke voordelen levert witheid op? Wanneer maakt het niets uit dat je wit bent?
 
Uiteindelijk gaat het erom of je het denken in afzonderlijke categorieën -  gender of etniciteit - blijft voortzetten of overstapt naar het kruispuntdenken, waardoor de betekenissen van mannelijkheid en vrouwelijkheid veranderen en de omstandigheden waaronder die betekenissen tot stand komen.